Het 'spacing effect' is een van de meest robuuste bevindingen in onderzoek naar leren en vaardigheidsbehoud: het verspreiden van oefenmomenten over tijd leidt tot beter behoud en betere toepassing van een vaardigheid dan het samenpersen van diezelfde oefentijd in één sessie. Onderzoek laat zien dat gespreid oefenen 65 procent van de deelnemers tot het gewenste niveau brengt, tegenover slechts 21 procent bij samengeperste (massed) training.

Concreet blijkt dat vier trainingssessies van vijftig minuten, verspreid over tijd, een grotere invloed kunnen hebben op prestaties dan één trainingssessie van vier uur aaneengesloten. Voor vaardigheden die onder druk moeten worden toegepast, zoals de-escalatie, is dat een belangrijk gegeven.

Onderzoek naar reanimatievaardigheden (CPR) bevestigt ditzelfde patroon: gespreide training verbetert het behoud van vaardigheden aantoonbaar, al is er nog relatief weinig onderzoek dat verschillende exacte tussenpozen (1, 3 of 6 maanden) rechtstreeks met elkaar vergelijkt. Voor de-escalatietraining specifiek wordt in de praktijk een aanpak van 15 tot 20 minuten gespreide oefening, gecombineerd met andere vaardigheden, als haalbaar en effectief gezien.

Voor opleidingsverantwoordelijken is de praktische les dat trainingsbudget beter besteed kan worden aan kortere, vaker terugkerende momenten dan aan één uitgebreide jaarlijkse sessie, ook als dat laatste op papier grondiger aanvoelt.